Nieuw adres vanaf 1 april 2013 ! Leuvenseweg 48 bus 6 - 1000 Brussel 

OA 09/01

OA 09/01: De Federale ombudsman beveelt Fedasil aan onmiddellijk een einde te maken aan zijn huidige praktijk die erin bestaat opvang te weigeren aan minderjarigen in staat van behoefte die illegaal met hun ouders op het grondgebied verblijven.

De feiten

In juli 2009 heeft een Bosnisch gezin (ouders met twee kinderen) de tussenkomst van de federale Ombudsman gevraagd. Na de definitieve verwerping van hun asielaanvraag, kon het lokaal opvanginitiatief (LOI) dat het gezin huisvest, het gezin wettelijk niet langer opvangen en de Vederechter heeft het gezin tot ten laatste 1 augustus 2009 de tijd gegeven om de woning te verlaten. Fedasil heeft geweigerd om dit gezin op te vangen en roept hiervoor overmacht in. Fedasil heeft het gezin ook niet op een wachtlijst gezet en heeft verder aan het gezin meegedeeld dat het geen zin heeft zich aan te melden bij de dienst Dispatching om opgevangen te worden in een open centrum. Dit gezin dreigde dus vanaf 1 augustus 2009 zonder enige bijstand "op straat" terecht te komen.

Uit de ingezamelde gegevens blijkt dat Fedasil vanaf eind april 2009 een aantal keer geweigerd heeft om materiële opvang in een open centrum te verzekeren aan gezinnen met "minderjarigen die illegaal met hun ouders op het grondgebied verblijven en van wie de staat van behoeftigheid door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is vastgesteld, wanneer de ouders niet in staat zijn om hun onderhoudsplicht na te komen ". De opvangwet stelt dat aan die gezinnen de materiële hulp toegekend wordt in de federale opvangcentra. Het opvangnetwerk is echter (over)verzadigd en er zijn (bijna) geen opvangplaatsen vrij. Die situatie maakt volgens Fedasil overmacht uit waardoor Fedasil de personen niet langer kan opvangen die materiële hulp vragen krachtens het koninklijk besluit van 24 juni 2004 tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan de minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft.

In juli 2009 is de opvangcapaciteit van Fedasil nog altijd ontoereikend, ondanks een reeks maatregelen (de overbezetting van de federale centra, het opstarten van noodopvang, huisvesting in hotels, het versnellen van de uitstroom van bepaalde categorieën bewoners, de opening van 850 tijdelijke opvangplaatsen, het toekennen van financiële hulp aan de personen die hun asielaanvraag onder de oude procedure hebben ingediend, het beëindigen van de opvang van onderdanen van nieuwe EU-staten, enz.).

Fedasil kent die mensen thans slechts een opvangplaats toe wanneer een (uitvoerbare) rechterlijke beslissing Fedasil veroordeelt tot het verlenen van opvang. Fedasil heeft in dezelfde zin aanvaard het gezin dat de hulp van de federale Ombudsman inriep een opvangplaats aan te bieden.

Uiteenzetting

In een arrest van 22 juli 2003 vonniste het Arbitragehof dat de wetsbepaling die de maatschappelijke dienstverlening door de OCMW's beperkt tot dringende medische zorgen een schending uitmaakte van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3, 24.1, 26 en 27 van het Verdrag inzake de Rechtten van het Kind. De weerhouden schending bestaat volgens het Hof in zoverre dat de maatschappelijke dienstverlening ook geweigerd werd aan minderjarigen wiens ouders illegaal op het grondgebied verblijven terwijl de bevoegde overheden hebben vastgesteld dat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, het vaststaat dat de aanvraag betrekking heeft op onontbeerlijke uitgaven voor de ontwikkeling van het kind ten voordele van wie die dienstverlening wordt aangevraagd en  het  OCMW zich ervan vergewist dat de dienstverlening uitsluitend zal dienen om die uitgaven te dekken.

Artikel 2 van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt dat de Staten die partij zijn bij dit Verdrag, de in het Verdrag beschreven rechten voor ieder kind onder hun rechtsbevoegdheid eerbiedigen en waarborgen zonder discriminatie van welke aard ook, ongeacht ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale, etnische of maatschappelijke afkomst, welstand, handicap, geboorte of andere omstandigheid van het kind of van zijn of haar ouder of wettige voogd. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van de omstandigheden of de activiteiten van, de meningen geuit door of de overtuigingen van de ouders, wettige voogden of familieleden van het kind. »

Volgens artikel 3 van het Verdrag moeten « de belangen van het kind » de eerste overweging vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen.

Artikel 24.1 van hetzelfde Verdrag bepaalt dat de Staten die partij zijn, het recht van het kind op het genot van de grootst mogelijke mate van gezondheid en op voorzieningen voor de behandeling van ziekte en het herstel van de gezondheid [erkennen]. De Staten die partij zijn, streven ernaar te waarborgen dat geen enkel kind zijn of haar recht op toegang tot deze voorzieningen voor gezondheidszorg wordt onthouden.

Artikel 26.1 van hetzelfde Verdrag bepaalt dat de Staten die partij zijn, voor ieder kind het recht erkennen de voordelen te genieten van voorzieningen voor sociale zekerheid, met inbegrip van sociale verzekering, en de nodige maatregelen nemen om de algehele verwezenlijking van dit recht te bewerkstelligen in overeenstemming met hun nationale recht.

Ten slotte bepalen de paragrafen 1 tot 3 van artikel 27 van datzelfde Verdrag :
« 1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.

2. De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.

3. De Staten die partij zijn, nemen, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in programma's voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting. »

De Belgische wetgever reageerde op het arrest van het Arbitragehof door het recht op opvang te bevestigen, eerst d.m.v. het koninklijk besluit van 24 juni 2004 tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan de minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft, vervolgens in de organieke wet op de OCMW's[4] en in de opvangwet[5]. Betrokken gezinnen hebben recht op huisvesting, voedsel, toegang tot zorgen enz. die beantwoorden aan de vereisten van een correcte minimale levensstandaard, net zoals de andere categorieën van begunstigden van de opvangwet.

Fedasil roept de concrete onmogelijkheid om een opvangplaats te vinden in een federaal open centrum.

Los van de vraag of de voorwaarden voor overmacht vervuld zijn - die vraag wordt momenteel behandeld  door de hoven en rechtbanken -  is het onaanvaardbaar dat een Staat deze toestand inroept om zijn eigen inertie te dekken wanneer het gaat over de bescherming van grondrechten, en in het bijzonder over de rechten van het kind.

Zoals het Arbitragehof opmerkte, legt het Verdrag inzake de Rechten van het Kind aan de Belgische staat een bijzondere verplichting op tot bescherming van  (minderjarige) kinderen, en derhalve van hun ouders,  op wie in de eerste plaats de  verantwoordelijkheid rust om ervoor te zorgen dat de levensomstandigheden aanwezig zijn die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.

Voorts stelt artikel 8 van het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden dat éénieder recht heeft op de eerbiediging van zijn familie- en gezinsleven. Artikel 3 van hetzelfde verdrag verbiedt onmenselijke of vernederende behandelingen.

De weigering om gezinnen in illegaal verblijf op te vangen (hen louter "op straat achterlaten") is strijdig met de opvangwet en de internationale normen. Er bestaat geen rechtvaardigingsgrond voor de loutere weigering om deze gezinnen op te vangen. Het tijdelijk niet in staat zijn om aan die kinderen de verplichte bijstand te verlenen in de vorm die door de Belgische wetgever werd gekozen (opvang van het gezin in een federaal open centrum), rechtvaardigt niet dat er geen enkele vorm van bijstand wordt aangeboden, in het bijzonder wat de huisvesting, het voedsel, de kleding en de medische zorgen betreft. Fedasil moet, in voorkomend geval, bijstand aanbieden in een andere vorm dan degene die in de Belgische wet vastligt en die voldoet aan de vereisten van de bijzondere bescherming van kinderen die vastliggen in hogere internationale rechtsnormen.

In de huidige stand van de wetgeving behoort het noch Fedasil noch de voogdijminister toe om een categorie van begunstigden het recht op opvang te ontzeggen om het tekort aan opvangplaatsen aan te pakken. De beslissing om geen illegale families met kinderen wiens staat van behoefte door een OCMW werd vastgesteld meer op te vangen maakt een machtsoverschrijding uit en voert een discriminatie in tussen de begunstigden van de opvangwet.

Fedasil moet onmiddellijk een einde maken aan het weigeren van opvang aan minderjarigen in staat van behoefte die met hun ouders illegaal op het grondgebied verblijven.


Resultaat

Op 24 september 2009 had de federale Ombudsman hierover een tussentijds verslag bezorgd aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Ook in 2011 bleef Fedasil systematisch weigeren om opvang te verlenen aan minderjarige kinderen in staat van behoefte die samen met hun familie illegaal op het grondgebied verblijven. In 2011 heeft Fedasil in 11 individuele dossiers niettemin gevolg gegeven aan de aanbeveling van de federale Ombudsman en 7 families hebben zo een opvangplaats gekregen in een centrum.

Op 19 oktober 2011 werden de federale ombudsmannen op hun verzoek over deze problematiek gehoord door de commissie voor de Volksgezondheid, Leefmilieu en Maatschappelijke hernieuwing.



Bijgewerkt op 5 juli 2012